De Irakoorlog na de invasie van 2003

De invasie van Irak in maart 2003 had een snelle operatie moeten zijn, waarbij president Saddam Hoessein uit zijn functie ontzet zou worden, massavernietigingswapens ontmanteld zouden worden en de rust en vrede snel zouden terugkeren in Irak. De Amerikaanse president George W. Bush verklaarde zelfs op 1 mei 2003 dat de Verenigde Staten hun missie hadden volbracht. Uiteindelijk bleek dit niet de realiteit te zijn; de zwakke Irakese democratie zorgde voor een machtsvacuüm dat verschillende rebellen- en terroristengroepen hebben geprobeerd op te vullen, met een hoop geweld tot gevolg. Er is een nieuwe burgeroorlog ontstaan die, ondanks het vertrek van de Amerikaanse troepen in 2011, tot op de dag van het schrijven van dit artikel (5 september 2016) voortduurt en veel slachtoffers eist. We zetten de gebeurtenissen in het Irak van na de invasie van 2003 voor je op een rijtje.

2003-2004: Machtsstrijd, Abu Ghraib en de arrestatie van Saddam Hoessein

De situatie in de jaren 2003 en 2004 zette in hoge mate de toon voor de hoe het de jaren daarna zou gaan in Irak. Ondanks dat president Bush op 1 mei 2003 verklaarde de oorlog te hebben gewonnen, waren er veel losse eindjes. Ex-president Saddam Hoessein was spoorloos, er was geen stabiele regering en delen van Irak lagen compleet in puin. Daarbij eisten steeds meer groeperingen de macht op door middel van aanslagen en geweld direct gericht op de militaire coalitie onder leiding van de Verenigde Staten en Engeland. In eerste instantie waren dit vooral mensen die loyaal waren aan Saddam Hoessein, zoals groepen soennieten. Zij hadden onder Saddam Hoessein, zelf ook een soenniet, een bevoorrechte positie en wilden daarom terug naar hoe het was voor de Amerikaanse coalitie kwam. De gooi naar de macht van de soennieten zorgde er echter ook voor dat hun rivalen, de sji’ieten, zich ook in de strijd mengden. In de regio’s Bagdad, Al Anbar en Salah ad-Din gebruikten opstandelingen guerrillatactieken zoals autobommen, scherpschutters en zelfmoordaanslagen om de militaire troepen schade toe te brengen. Intussen reageerden de troepen van Amerika’s coalition of the willing met luchtaanvallen en zwaar geschut. Belangrijke plekken kwamen onder hevige surveillance te staan en de coalitie besloot zich te focussen op het arresteren van de sleutelfiguren van het oude Irakese regime. Zo werden in de zomer van 2003 de zoons van Saddam Hoessein gedood in een aanval en werd in december dat jaar Hoessein zelf gearresteerd.

Intussen waren de Verenigde Staten en Verenigde Naties aan de slag gegaan om Irak te stabiliseren; er werden nieuwe ordehandhavers getraind en er werd maar liefst 20 miljard dollar beloofd om het land opnieuw op te bouwen. Dit mocht echter niet baten; het geweld nam steeds meer toe en in 2004 mengde ook een splintergroep van Al-Qaeda zich in de strijd. In april van dat jaar kwamen er beelden naar voren van Amerikaanse militairen die Irakese gevangenen mishandelden en vernederden en dit veranderde voor veel mensen het hele uitgangspunt van de oorlog. De publieke opinie in Amerika, Europa en het Midden-Oosten stond steeds negatiever tegenover de Irakoorlog.

2005-2008: Burgeroorlog en een nieuwe Irakese regering

De jaren 2005 en 2006 werden gemarkeerd door de komst van een Irakese overgangsregering, die een nieuwe grondwet voor het land opstelde. Terwijl er een referendum werd gehouden over de grondwet en formatiegesprekken in volle gang waren, nam het geweld exponentieel toe. Er vonden steeds meer zelfmoordaanslagen plaats, voornamelijk op sji’itische doelwitten, en in mei 2005 stierven meer dan 700 Irakese burgers in dit soort aanvallen. Het sektarische geweld zwol extra aan in 2006, na het bombardement van de al-Askari moskee in Samarra, één van de heiligste plaatsen voor de sji’ieten. De aanslag zou zijn gepleegd door Al-Qaeda en in de weken erna steeg het aantal doden door geweld van 11 naar 13 per dag. De Verenigde Naties omschreven het dagelijks leven in Irak als “een burgeroorlog-achtige situatie”. Daarnaast kwamen er ook steeds meer misdaden van Amerikaanse soldaten in Irak aan het licht; in 2006 werden soldaten uit verschillende divisies veroordeeld voor moorden en verkrachtingen van Irakese burgers. Verder werd in 2006 ook de ex-president Saddam Hoessein ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

In 2007 kwamen de Amerikaanse troepen onder druk te staan nadat steeds meer coalitielanden hun soldaten begonnen terug te trekken. Ondanks dat George W. Bush in januari nog had gezegd meer troepen naar Irak te sturen, bleek in september dat juist veel Amerikanen dat jaar zouden terugkeren. De troepen die achterbleven gingen te werk volgens een nieuwe strategie, die de surge werd genoemd; in plaats van openlijke gevechten en bombardementen werden steeds meer tegenstanders van de coalition of the willing buiten het publieke oog uitgeschakeld. Ook liet in 2007 de Islamitische Staat van zich horen in de Irakese context; de aanslag op een Irakese bondgenoot van Amerika werd door de terreurgroep opgeëist. Intussen zocht de Irakese overgangsregering naar een manier om de invasie in de hand te houden en vroeg zij naar een datum waarop de Amerikanen zouden vertrekken. Uiteindelijk tekenden de partijen in 2008 een overeenkomst, de SOFA oftewel de Status of forces agreement, waarin stond dat de Amerikaanse troepen Irak moesten hebben verlaten op 31 december 2011. Veel Irakezen protesteerden hiertegen omdat zij vonden dat de Amerikanen eerder weg moesten, maar er waren ook wat voorzichtige positieve geluiden te horen.

2009 tot nu: Verdere instabiliteit en voortzetting van de burgeroorlog

De periode van 2009 tot de dag van vandaag heeft Irak weinig goeds gebracht. Ondanks dat de militaire coalitie zich in deze periode geleidelijk terugtrok omdat Irak op eigen benen zou kunnen staan, is het land van instabiliteit naar chaos gegaan. Het geweld tussen de verschillende stammen en groeperingen soennieten en sji’ieten is enorm uit de hand gelopen en de Islamitische Staat heeft grote stukken van het land ingenomen, terwijl de Irakese krijgsmachten proberen de situatie onder controle te krijgen en de politiek met de dag chaotischer wordt. Volgens schattingen van het Rode Kruis waren in 2008 al 2.3 miljoen Irakezen op de vlucht in eigen land en hadden twee miljoen mensen het land verlaten.

You may also like...