De onderzoekscommissie Irak uitgelicht

Op 20 maart 2003 viel een militaire coalitie geleid door de Verenigde Staten en Engeland Irak binnen. Het doel van de invasie was het omverwerpen van de regering van Saddam Hoessein, die volgens de Amerikaanse veiligheidsdiensten in het bezit zou zijn van massavernietigingswapens en daarom een direct gevaar zou vormen voor de VS en diens westerse bondgenoten. Één van deze bondgenoten was Nederland; het kabinet Balkenende-I gaf politieke steun aan de invasie en enkele jaren later zou blijken dat Nederland in de invasiefase ook militair betrokken was door middel van het uitvoeren van verkenningsvluchten boven Irakees grondgebied. Nederland zou uiteindelijk ook meehelpen bij de wederopbouw in het land. Naarmate het conflict in Irak voortduurde en een oplossing steeds verder weg leek, groeide de kritiek op de Nederlandse politieke steun voor de invasie. De regering stelde daarom in februari 2009 een onafhankelijke onderzoekscommissie in, de Commissie-Davids, die onderzoek zou doen naar het besluitvormingsproces rondom de Nederlandse steun.

Aanleiding tot het onderzoek

De aanleiding tot het onderzoek van de Commissie-Davids was het ontbreken van een concreet mandaat van de Verenigde Naties (VN) dat de oorlog zou rechtvaardigen, de twijfels over de informatie waarop de Nederlandse steun voor de invasie werd gebaseerd en de vermoedens van militaire betrokkenheid van Nederland bij de invasie van Irak. Alle drie waren politiek hete hangijzers, omdat minister-president Jan-Peter Balkenende in eerste instantie had verklaard sluitend bewijs te hebben voor de noodzaak van de oorlog en aangaf dat er geen sprake zou zijn van Nederlandse militaire deelname. Toen het conflict al enkele jaren sleepte kwam echter aan het licht dat de Tweede Kamer niet ten allen tijde volledig was geïnformeerd door het kabinet en dat er creatief was omgesprongen met het ontbreken van een VN-mandaat.

Met name dit mandaat was een complexe kwestie. Wanneer een conflict de vrede en veiligheid in een bepaald land of een bepaalde regio bedreigt, kan de VN Veiligheidsraad er na een stemming voor kiezen om een mandaat af te geven voor een vredesoperatie. De meerderheid van de VN-mandaten is erop gericht om conflictgebieden te stabiliseren en overheden in de betreffende gebieden te ondersteunen in de transitie naar een veilige, democratische staat. De situatie met Irak was echter anders en de Veiligheidsraad gaf geen goedkeuring voor een militaire operatie in het land. De Amerikaanse regering verklaarde echter onomstotelijk bewijs te hebben dat Irak massavernietigingswapens in zijn bezit had en dat het land de terroristische organisatie Al-Qaida zou ondersteunen. Er werd geconstateerd dat de “diplomatie gefaald had” en er werd buiten de VN om een zogenaamde coalition of the willing samengesteld van landen die bereid waren de Amerikaanse invasie politieke danwel militaire steun te geven. Nederland maakte de keuze om de invasie te steunen mede op basis van informatie en uitspraken uit eerdere VN-resoluties over de Golfoorlog van de jaren ’90. Deze uitspraken hadden echter betrekking op een conflictsituatie die ruim een decennium vóór de Irakoorlog was ontstaan en konden, zo bleek achteraf uit een interne memo van Buitenlandse Zaken, niet worden betrokken op de nieuwe situatie in Irak. Kortom, er was geen expliciete toestemming van de VN Veiligheidsraad voor de oorlog in Irak en Nederland baseerde zijn steun voor de invasie voornamelijk op oude resoluties en op de beweringen van de regering-Bush, die uiteindelijk niet bewezen konden worden. Dit stelde de legitimiteit van de Nederlandse steun behoorlijk ter discussie.

Ook de derde en laatste pijler van het onderzoek van de Commissie-Davids, de Nederlandse deelname aan de militaire operatie, zou enkele jaren na het begin van de oorlog politiek stof doen opwaaien in Nederland. Minister-president Balkenende had in 2003 verklaard dat Nederland tijdens de invasiefase geen militairen naar Irak zou sturen, maar vier jaar later bleek uit onderzoek van het radioprogramma Argos dat Nederlandse F16’s wel degelijk verkenningsvluchten boven Irak hadden uitgevoerd. Weer enkele jaren later wist het RTL Nieuws te melden dat de premier militaire deelname aan de invasie van Irak had overwogen. Dit was tegenover de Tweede Kamer echter altijd ontkend.

Samenstelling van de Commissie-Davids

Door deze inconsistenties ontstond grote politieke druk op de Nederlandse regering. De oppositiepartijen, maar ook de regeringspartij PvdA, vroegen om een parlementaire enquête over de Nederlandse rol in de oorlog. Er werd in de Tweede Kamer maar liefst 16 keer gedebatteerd over het al dan niet laten uitvoeren van een onderzoek. Nadat naar voren kwam dat een kritische memo van de juristen van Buitenlandse Zaken nooit was doorgestuurd naar de minister maar was verdwenen in een archief, werd door verschillende politieke partijen geschokt gereageerd en werden er onder andere door de SP, D66 en de VVD schriftelijke vragen gesteld. Uiteindelijk besloot de regering om een onderzoekscommissie in te stellen naar de gang van zaken rondom de steun aan de invasie, zodat daar voor eens en voor altijd duidelijkheid over zou zijn. De minister-president en de ministers van Algemene Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken en Defensie stelden in februari 2009 de Commissie-Davids in. Deze onafhankelijke commissie werd geleid door jurist en oud-president van de Hoge Raad mr. Willibrord Davids en had als leden prof. dr. M.G.W. den Boer, prof. C. Fasseur, mr. T. Koopmans, prof. dr. N.J. Schrijver, prof. dr. M.J. Schwegman en mr. A.P. van Walsum. De opdracht van de commissie was om te kijken naar de Nederlandse politieke steun voor de invasie in Irak. Hoe was deze tot stand gekomen? Waarom waren zaken gegaan zoals zij waren gegaan? De commissie zou specifiek gaan kijken naar de periode tussen de zomer van 2002 en de zomer van 2003. Voor het onderzoek werd 8 maanden uitgetrokken, van de start op 3 maart 2009 tot 1 november 2009.

Conclusies van het onderzoek

De Commissie-Davids presenteerde haar onderzoeksrapport uiteindelijk op 12 januari 2010. De conclusies waren deels in lijn met de kritiek die de Nederlandse regering had ontvangen. Zo werd er geconstateerd dat het kabinet niet altijd voldoende informatie aan de Tweede Kamer had verstrekt en dat er met name niet voldoende duidelijkheid was gegeven over het Amerikaanse verzoek om de invasie te steunen. Ook werd aangegeven dat er geen mandaat was voor de militaire operatie. Wat betreft de onderbouwing van het standpunt van de Nederlandse regering concludeerde de commissie dat de Nederlandse veiligheidsdiensten AIVD en MIVD veel genuanceerder waren over een mogelijke Irakese dreiging dan de Amerikaanse veiligheidsdiensten. Het kabinet Balkenende-I had er echter voor gekozen om deze nuances niet te volgen en mee te gaan met de informatie die verstrekt werd door de Verenigde Staten. De Commissie-Davids constateerde tot slot, in tegenstelling tot de onderzoeksjournalisten van Argos, dat er geen concreet bewijs was dat Nederland had deelgenomen aan de invasie van Irak. Zoals viel te verwachten werd het rapport van de commissie niet door alle partijen goed ontvangen. Zo plaatste premier Balkenende in eerste instantie een aantal kanttekeningen bij het onderzoek en bleef een uitgebreide reactie van de regering lang uit. Uiteindelijk verklaarde de regering dat zij kon instemmen met de conclusies uit het rapport. Dit was echter voor een aantal oppositiepartijen niet afdoende en in februari 2010 werd een motie van wantrouwen tegen de premier ingediend, die vervolgens werd verworpen. De uiteindelijke conclusie is dat het rapport van de Commissie-Davids over de Nederlandse politieke steun aan de invasie in Irak leidend is verklaard door de Nederlandse regering.

Op Onderzoekscommissie-irak.nl vind je informatie en achtergronden over de Irakoorlog van 2003, de Nederlandse rol hierin en het onderzoek van de Commissie-Davids.

You may also like...