De regeringsreactie op het rapport van de Commissie-Davids

De presentatie van het onderzoeksrapport van de Commissie-Davids op 12 januari 2010 deed politiek behoorlijk wat stof opwaaien. In het rapport werden enkele zeer kritische conclusies getrokken over de besluitvorming rondom de Nederlandse politieke steun aan de invasie in Irak van 2003. Minister-president Jan-Peter Balkenende verklaarde meteen dezelfde dag dat hij de belangrijkste conclusies uit het rapport niet onderschreef, waarmee hij zich de woede van de oppositie en coalitiegenoot Partij van de Arbeid (PvdA) op de hals haalde.

Kritische conclusies

De Commissie-Davids was een onafhankelijke onderzoekscommissie die tussen februari 2009 en januari 2010 een diepgaande analyse maakte van de manier waarop het kabinet Balkenende-I in 2003 het besluit maakte om de Amerikaans-Britse inval in Irak politiek te steunen. Daarbij werd gekeken naar het besluitvormingsproces, de informatie die door verschillende inlichtingendiensten werd aangeleverd en de communicatie tussen het kabinet en de Tweede Kamer. Één van de conclusies van de commissie was dat de regering het parlement niet voldoende informeerde over de gang van zaken. Zo werd een Amerikaans verzoek om militaire steun door de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken naar de Kamer toe uitgelegd als “illustratief”, terwijl dit toch een expliciet verzoek betrof. Ook werd geconstateerd dat de ambtenaren van Buitenlandse Zaken (BuZa) binnen drie kwartier een schets maakten voor het kabinetsbeleid inzake de inval in Irak, waarbij juridische bezwaren terzijde werden geschoven en er werd geknipt en geplakt met oude VN-resoluties om voorbij te kunnen gaan aan het feit dat de volkenrechtelijke organisatie geen mandaat had afgegeven voor een inval in Irak. Een ander kritiek punt was volgens de Commissie-Davids de rol van de minister-president; Balkenende zou te weinig leiding hebben genomen en het dossier geheel hebben overgelaten aan minister Jaap de Hoop-Scheffer.

Reactie van minister-president Balkenende

Balkenende, die in januari 2010 de positie van minister-president in kabinet Balkenende-IV bekleedde, liet zich in een eerste reactie meteen kritisch uit over het rapport. Zo was de mandaatkwestie volgens de premier open voor interpretatie; hij gaf aan dat over de juridische grondslag voor een inval verschillende ideeën konden rondgaan. Kortom, wat voor de één een goede motivatie is, is dat voor de ander misschien niet. Daarbij benadrukte Balkenende dat er een “zuivere afweging” was gemaakt over de politieke steun voor de inval. Hij plaatste daarmee indirect een kanttekening bij de conclusie van de commissie dat het kabinetsbeleid in minder dan een uur was geformuleerd. Ook gaf de minister-president aan dat hij het dossier inderdaad aan de minister van BuZa had overgelaten en dat hij dit niet meer dan normaal vond, aangezien de minister meer specifieke kennis van zaken zou hebben. Tot slot bekritiseerde de premier de conclusie dat de Tweede Kamer onvoldoende was geïnformeerd. Zaken achterhouden, of deels achterhouden, wat een politieke doodzonde is, was volgens Balkenende niet gebeurd.

Reactie van de Partij van de Arbeid

Het kabinet Balkenende-I, dat het besluit nam om de Irakoorlog te steunen, zag er politiek heel anders uit dan het kabinet Balkenende-IV, dat de conclusies van de Commissie-Davids voor zijn kiezen kreeg (het eerste kabinet bestond uit CDA, VVD en LPF, het vierde uit CDA, PvdA en ChristenUnie). Het viel dan ook te verwachten dat Balkenende’s verdediging van zijn eerste kabinet niet in goede aarde zou vallen bij zijn latere coalitiepartners. Vooral de PvdA reageerde woedend op de eerste reactie van de premier; fractievoorzitter Mariëtte Hamer verklaarde direct dat Balkenende niet voor de PvdA sprak en vanuit de fractie kwam het geluid dat de minister-president met een nieuwe reactie zou moeten komen, die het onderzoeksrapport meer recht zou doen.

Formele reactie van het kabinet Balkenende-IV

Uiteindelijk zou de regeringscoalitie op 9 februari 2010 met een formele reactie komen, waarin werd gesteld dat zij instemde met de conclusies die in het rapport van de Commissie-Davids werden getrokken. Dit was echter geen schuldbekentenis of knieval naar de Partij van de Arbeid; er werd duidelijk bij gezegd dat het kabinet achter de feiten stond die in het rapport gepresenteerd werden, maar dat alle betrokken ambtenaren en politici deze feiten op hun eigen manier hadden beleefd. Kortom, er werd nadruk gelegd op de subjectieve, individuele beleving van de betrokkenen en er zou geen politiek of ethisch oordeel worden geveld over de conclusies van de Commissie-Davids. Ook zouden er geen politieke consequenties aan het rapport worden verbonden. Dit standpunt was voor GroenLinks niet voldoende en de partij diende een motie van wantrouwen in tegen premier Balkenende. De motie werd gesteund door de Socialistische Partij (SP), de Partij voor de Vrijheid (PVV), D66 en de Partij voor de Dieren, die de premier tijdens een bijna 10 uur durend Kamerdebat het vuur aan de schenen legden. De grootste kritiek van de partijen was dat Balkenende te weinig berouw en zelfreflectie toonde over zijn rol in de Irak-kwestie. Uiteindelijk werd de motie van wantrouwen verworpen, maar het kabinet zou niet lang daarna vallen naar aanleiding van de besluitvorming over de militaire missie in Afghanistan. Het rapport van de Commissie-Davids werd uiteindelijk leidend verklaard door de Nederlandse regering.

You may also like...