Het rapport van de Commissie-Davids

Minister-president Balkenende gaf te weinig leiding aan het Irakdebat, het lukte de AIVD niet om zelfstandig voldoende informatie te verzamelen over de situatie in Irak en de regering Balkenende-I baseerde haar politieke steun aan de Amerikaans-Britse inval voornamelijk op buitenlandse politiek en ging daarbij te gemakkelijk voorbij aan het feit dat er geen volkenrechtelijk mandaat voor de inval was. Dit zijn enkele van de conclusies uit het lijvige rapport dat de Commissie-Davids op 12 januari 2010 presenteerde in Den Haag. Het was niet de bedoeling politieke conclusies te trekken, benadrukte de voorzitter, Willibrord Davids, het doel was om slechts feiten aan te dragen. Deze feiten uit het rapport van de commissie schetsen echter een zeer kritische houding ten opzichte van het besluitvormingsproces rondom de Nederlandse steun aan de Irakoorlog. In dit artikel bespreken we de opvallendste conclusies uit het rapport van de Commissie-Davids.

Conclusie 1: Buitenlandse politiek speelde een grotere rol dan het VN-standpunt

Allereerst was er natuurlijk de kwestie dat er geen VN-mandaat voor de Irakoorlog was. Toen de Verenigde Staten en Engeland ervoor kozen om buiten de VN om een coalitie op te richten en alsnog Irak aan te vallen, werd eventuele Nederlandse steun aan de inval juridisch en politiek een heet hangijzer. Het Nederlandse besluit om politieke steun te geven aan de oorlog was uiteindelijk meer gebaseerd op buitenlands beleid (men wilde tegenover de VS en Engeland bewijzen dat Nederland een waardevolle coalitiepartner was) dan door een solide volkenrechtelijke onderbouwing. Uit het rapport van de Commissie-Davids bleek bijvoorbeeld dat het gehele Nederlandse standpunt met betrekking tot de Irakoorlog tot stand kwam na een brainstormsessie van minder dan een uurtje op het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa). De betrokken ambtenaren schoven bezwaren van de juristen van BuZa terzijde en uiteindelijk werd in oude VN-resoluties over de Golfoorlog van de jaren ’90 een rechtvaardiging voor de Nederlandse steun gevonden. Hierover concludeerde de Commissie-Davids dat de regering zichzelf geen dienst had bewezen: “[de] bijna totale verdwijning van juridische bezwaren kan nauwelijks gezien worden als een compliment voor het Nederlandse besluitvormingsproces”. Ook stelde de commissie dat oude resoluties geen vrijbrief waren waarop in het heden politieke of militaire actie kon worden ondernomen.

Conclusie 2: De Nederlandse inlichtingendiensten waren nauwelijks betrokken

Volgens de Commissie-Davids ging de Nederlandse regering niet alleen selectief om met VN-resoluties, maar ook met de informatie die door verschillende veiligheidsdiensten werd aangeleverd. Zo volgde het kabinet grotendeels de lijn uitgezet door de buitenlandse inlichtingendiensten, die een stuk minder genuanceerd waren over de vermeende Irakese wapendreiging dan de Nederlandse inlichtingendiensten AIVD en MIVD. Een concreet voorbeeld is dat Engeland beweerde informatie te hebben waaruit bleek dat Irak binnen 3 kwartier raketten zou kunnen lanceren. De Nederlandse regering nam deze bewering over, terwijl de Nederlandse veiligheidsdiensten hier veel terughoudender in waren en er uiteindelijk voor kozen de bewering niet op te nemen in hun rapporten. In haar rapport schreef de Commissie-Davids hierover dat de Nederlandse veiligheidsdiensten genuanceerder waren over de Irakese dreiging dan dat de regering naar de Tweede Kamer toe was. Ook constateerde de commissie dat het kabinet-Balkenende uit de rapporten van de AIVD en MIVD alleen die informatie haalde die paste bij het al ingenomen standpunt.

Conclusie 3: Het parlement werd niet voldoende geïnformeerd

Deze conclusie ligt in lijn met het vorige punt: de Tweede Kamer ontving volgens de Commissie-Davids te weinig informatie over de gang van zaken achter de schermen. Dat betrof niet alleen de genuanceerde kanttekeningen van de Nederlandse veiligheidsdiensten die niet werden doorgespeeld naar de volksvertegenwoordigers, maar ook ernstiger zaken. Zo deden Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders eind 2002 een verzoek aan Nederland om ook militair bij te dragen aan de invasie van Irak. De ministers van Defensie en BuZa verklaarden hierover tegen de Tweede Kamer dat het verzoek slechts “illustratief” was, terwijl de Verenigde Staten het zagen als een formeel verzoek om militaire steun.

Conclusie 4: Door onhandige communicatie leek het alsof Nederland ook militaire steun gaf

De Nederlandse regering leverde geen actieve militaire bijdrage aan de invasie van Irak, concludeerde de Commissie-Davids. Echter, dit leek voor lange tijd wel zo. Redenen hiervoor waren de aanwezigheid van een Nederlandse luitenant-kolonel bij een persconferentie van de Amerikaanse bevelhebber Franks, rond de tijd van de invasie, en het feit dat Nederland in dezelfde periode wapens leverde aan Turkije. Ook werd een Nederlands fregat ingezet om vaartuigen die deel uitmaakten van de Amerikaans-Britse militaire coalitie te escorteren en zouden er verkenningsvluchten zijn uitgevoerd boven Irakees grondgebied. Volgens de Commissie-Davids wilde Nederland zich hiermee bewijzen als waardevolle partner. De Nederlandse aanwezigheid bij de Amerikaanse persconferentie was volgens de commissie gevolg van een misverstand en onhandige interne communicatie binnen het ministerie van Defensie.

Conclusie 5: Minister-president Balkenende nam te weinig leiding

De rol van minister-president Jan-Peter Balkenende liet volgens de Commissie-Davids te wensen over. Zo gaf de premier nauwelijks leiding aan het Irakdebat en liet hij de beleidsvorming volledig over aan Jaap de Hoop-Scheffer, destijds minister van BuZa. Zoals eerder besproken werden binnen een uur alle kaders voor het Nederlandse standpunt over de Irakoorlog geschetst en is hier later nauwelijks meer van afgeweken. Tegen de tijd dat Balkenende zich ging bezighouden met het dossier lagen de belangrijkste beleidslijnen al vast. De Commissie-Davids merkte hierover op dat de premier mogelijk het explosieve karakter van de kwestie niet volledig had onderkend.

Ontvangst van het rapport

De reactie van de regering Balkenende-IV op het rapport van de Commissie-Davids was niet onverdeeld positief. De premier plaatste een aantal kanttekeningen bij het onderzoek en een uitgebreide reactie van het kabinet liet lang op zich wachten. Toen de regering uiteindelijk verklaarde toch in te stemmen met de conclusies uit het rapport, diende een aantal oppositiepartijen een motie van wantrouwen in. Uiteindelijk verklaarde de Nederlandse regering het rapport van de Commissie-Davids leidend.

You may also like...